Het gaat niet goed met Europa. Wat is het grootste probleem?
Een groot probleem voor Europese bedrijven is dat we vrij selectief allerlei wetten handhaven. Denk aan cao’s voor werknemers, standaarden voor milieuwetgeving, wetgeving die eisen stelt aan producten, bijvoorbeeld waar het gaat om productveiligheid. Maar voor bedrijven die buiten Europa produceren en hier vervolgens producten invoeren, zijn we minder streng. Met als gevolg oneerlijke concurrentie. Europa importeert al heel lang goedkope consumentengoederen die lang niet altijd voldoen aan de Europese eisen op gebied van veiligheid, arbeid en milieu. Waarmee we onze eigen bedrijven, vooral in het mkb, enorm hebben verzwakt. Zij houden zich immers wél aan alle Europese wetgeving en krijgen oneerlijke concurrentie van onder andere Chinese bedrijven die veel staatssteun krijgen.
Wat zie jij nog meer als Europese zwaktes?
De sociale ongelijkheid neemt onmiskenbaar toe, niet alleen in Nederland. Door de toenemende herverdeling van inkomen van arm naar rijk, is de ongelijkheid in Europa gestegen tot het hoogste niveau sinds ruim een eeuw. Daarnaast neemt de ecologische ontwrichting toe. En in veel landen brokkelt de democratie steeds verder af. Die goedkope importen die ik net noemde, zorgen ervoor dat er een enorme lobbydruk is ontstaan richting Europese wetgevers om de standaarden die we voor Europese bedrijven hanteren, te verzwakken. Waardoor de positie van ondermeer werknemers en de staat van ons milieu, denk alleen al aan de gestage afbraak van de Green Deal, alleen maar verder afneemt. Als je op die manier de toekomstige concurrentiepositie van bedrijven verzwakt, kweek je nooit duurzame koplopers binnen je eigen continent.
Toch waarschuw je voor al te veel pessimisme.
Zeker! Kijk, in Europa hebben we niet het hoogste bbp per hoofd, noch de snelstgroeiende productiviteit, noch de grootste multinationals. Maar dat zijn alleen maar kwantitatieve graadmeters van vooruitgang. Als je kijkt naar kwalitatieve maatstaven, zoals de kwaliteit van leven en de kwaliteit van producten en diensten, scoren Europese landen van oudsher juist erg hoog. Buiten Europa vind je nergens zulke goede zorg en zulk goed onderwijs, plus andere publieke voorzieningen, als hier. Vergeet ook niet, de civil society in in Europa sterk vertegenwoordigd: denk aan het brede veld van actieve burgerbewegingen, ngo’s, buurtverenigingen en andere maatschappelijke organisaties. We vormen een continent waar Europese burgers gemeenschappelijke waarden als vrede, vrijheid en rechtvaardigheid met elkaar delen. In mijn ogen heeft Europa een unieke middenweg gevonden tussen economische voorspoed en sociale rechtvaardigheid. Probleem is dat we de grip op onze Europese economie steeds meer kwijtraken. En daarmee terrein verliezen op gebied van sociale rechtvaardigheid, ecologie en democratie.
Je hekelt dat Europese bedrijven veel te sterk sturen op efficiency. Dat is toch juist goed?
Waarom letten ze alleen op welvaart, en niet ook op welzijn? Het gaat in mijn visie niet alleen om je eigen verlies- en winstrekening maar ook om de maatschappelijke kosten en baten. Als bedrijven alleen maar focussen op efficiency pakt dat in praktijk vaak inefficiënt uit. Bedrijven kijken dan alleen maar naar de laagste prijzen en veel minder naar kwaliteit. Daarmee win je op de langere termijn nooit de internationale concurrentiestrijd. Bovendien hebben Europese bedrijven, vind ik, ook een morele plicht om grote uitwassen in wereldwijde productieketens waar mogelijk tegen te gaan. Ik heb ooit uitgerekend dat zo’n veertien miljoen mensen in het mondiale Zuiden voor Nederlandse consumptie- en exportketens werken; van hen wordt het merendeel ernstig onderbetaald. Ze werken onder vaak zware arbeidsomstandigheden voor een laag loon, mogen geen kritiek hebben op hun bazen, werken veel te lang.
Wat stel je voor?
Onder andere dat bedrijven meer gaan sturen op ‘sufficiëntie’, waarbij ze álle kosten en baten meenemen. Sufficiëntie betekent letterlijk voldoening gevend, vervolmakend. Europese bedrijven moeten niet alleen aan zichzelf denken, maar veel meer aan de relaties binnen hun waardenketens. Neem een voorbeeld aan bedrijven als Lidl, Fairphone en Signify, die heel goed meedenken met hun toeleveranciers en nauw met hen samenwerken.
Die relaties zijn alleen gezond en bestendig als ze gebaseerd zijn op wederkerigheid. Wederkerige relaties zie ik als het geheim van bloei: niet alleen de bloei van mensen, maar ook van gemeenschappen en van de natuur. Daarbij moeten bedrijven zich richten op het bieden van goed werk: dus consequent investeren in de ontwikkeling van medewerkers, hen vaste contracten aanbieden. Daarnaast moeten ze milieustandaarden respecteren. Oftewel, ze moeten concurreren op kwaliteit en niet op kwantiteit. Voor bedrijven draait het om drie cruciale vragen: doen we de goede dingen? Doen we de dingen goed? En last but not least, doen we geen kwaad?
Jouw stelling is dat we van meer naar beter moeten.
Ja, we moeten niet meer focussen op kwantitatief groeien maar op kwalitatief groeien. Dan denk ik aan een betere kwaliteit van goederen en diensten, van leven en werk, van onze leefomgeving. Ik ben het eens met de Britse econoom Kate Raworth: zij benadrukte dat we niet meer moeten streven naar eindeloze groei maar naar een dynamisch evenwicht, erop gericht om te voorzien in de basisbehoeften van ieder mens, met bescherming van de aarde. Alleen dan kan Europa zich gaan onderscheiden als wat ik noem het Continent van de kwaliteit. We moeten ons ervoor inzetten om minder spullen te consumeren; maar dan wel spullen met een hogere kwaliteit. Want dat draagt bij aan een betere levensstandaard, een beter milieu en een betere verhouding tot werknemers in Noord en Zuid. Dat vereist een enorme omslag in ons denken.
Over Paul Groothengel
Paul Groothengel is freelance journalist.